Slaginstrumenten


Onder de slag- of percussie-instrumenten verstaan we al de instrumenten die bespeeld worden door erop te slaan. De groep is verder onder te verdelen in idiofonen en membranofonen. Deze onderverdeling is gebaseerd op de manier waarop het geluid ontstaat. De naam percussie-instrumenten wordt meestal gebruikt voor de wat kleinere instrumenten en voor de trommels afkomstig uit de wereldmuziek.

Idiofonen

Instrumenten van hout of metaal die zelf in trilling gebracht worden om het geluid voort te brengen noemen we de idiofonen. Voorbeelden hiervan zijn de triangel, de koebel, bekkens, de spleettrom en de xylofoon. Meestal wordt er een stok gebruikt om het geluid te maken.

Membranofonen

Slaginstrumenten waarbij een vel of membraan gebruikt wordt om de trilling en dus het geluid te veroorzaken behoren tot de groep membranofonen. De snaredrum, pauken, conga’s, bongo’s en djembé. Op deze trommels is een vel of huid gespannen en door hierop te slaan ontstaat trilling en dus geluid. De meeste trommels produceren slechts één toonhoogte. De conga’s en de bongo’s worden altijd in een set van twee gebruikt en hebben dus twee verschillende tonen. De pauken worden meestal in een set van twee tot vijf stuks gespeeld en beschikken daarmee over een evenredig aantal tonen.

Speeltechniek

Veel slaginstrumenten worden met stokken bespeeld. Dit kunnen geheel houten stokken zijn zoals bij de snaredrums, maar er kunnen bijvoorbeeld ook vilten koppen op zitten zoals bij de marimba. Trommels uit de wereldmuziek zoals de conga en de djembé worden met de hand bespeeld. Hierbij worden drie soorten slagtechnieken gehanteerd: de ‘open stroke’ (met de vingers op de rand van de trommel), de ‘bounce’ of ‘bass’ (met de hele hand in het midden van de trommel) en de ‘slap’ (slag met de vingers tussen het midden en de rand van het vel in).

Comments are closed.